Gisteren ___ ik naar de markt gegaan.
Yesterday I went to the market.
De voltooide tijd
Voor afgeronde gebeurtenissen in het verleden gebruik je hebben of zijn + voltooid deelwoord. Je leert hoe je het deelwoord maakt en welk hulpwerkwoord je kiest.
Om iets te vertellen dat in het verleden is gebeurd en klaar is, gebruik je in het Nederlands meestal het perfectum: Ik heb gisteren gewerkt. In gesprekken en korte berichten is dit de vorm die je het vaakst hoort voor de verleden tijd.
Het perfectum bestaat uit twee delen: het hulpwerkwoord hebben of zijn + het voltooid deelwoord (voltooid deelwoord). Het hulpwerkwoord past zich aan het onderwerp aan en staat op de tweede plaats; het deelwoord gaat helemaal naar het eind van de zin.
Bij regelmatige werkwoorden maak je het deelwoord zo: ge + stam + t/d. De stam vind je door -en van de infinitief af te halen: werken → werk → gewerkt.
Eindigt de stam op t, k, f, s, ch of p, dan komt er -t achter; in andere gevallen -d. Deze letters onthoud je met het woord 't kofschip. Let op: werkwoorden die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-, her-, er- krijgen geen extra ge-: betalen → betaald, vertellen → verteld.
Veel werkwoorden die je elke dag gebruikt, zijn onregelmatig; hun deelwoord moet je uit je hoofd leren. De meeste eindigen op -en. Let ook op de kolom met het hulpwerkwoord.
| Infinitief | Deelwoord | Hulpwerkwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| eten | gegeten | hebben | ik heb gegeten |
| drinken | gedronken | hebben | ik heb gedronken |
| zien | gezien | hebben | ik heb gezien |
| doen | gedaan | hebben | ik heb gedaan |
| kopen | gekocht | hebben | ik heb gekocht |
| schrijven | geschreven | hebben | ik heb geschreven |
| gaan | gegaan | zijn | ik ben gegaan |
| komen | gekomen | zijn | ik ben gekomen |
| blijven | gebleven | zijn | ik ben gebleven |
| zijn | geweest | zijn | ik ben geweest |
De meeste werkwoorden gebruik je met hebben. zijn gebruik je in deze gevallen: bij een verplaatsing in een richting (gaan, komen, vertrekken, verhuizen), bij een verandering van toestand (worden, trouwen, sterven) en bij de werkwoorden zijn en blijven.
Bij werkwoorden van beweging is het verschil klein: zonder doel gebruik je hebben, met een doel zijn: Ik heb gefietst. / Ik ben naar huis gefietst.
Let op: in deze zinnen staat het hulpwerkwoord op de tweede plaats en het deelwoord helemaal achteraan.
De -t en de -d aan het eind van het deelwoord klinken hetzelfde, dus je kunt het niet horen. Denk aan de infinitief: werken → stam werk, de laatste letter k zit in 't kofschip → gewerkt.
Bij werkwoorden zoals leven en reizen is de stam leef en reis, maar je kiest op basis van de v en de z in de infinitief: geleefd, gereisd. Schrijf voor het examen de 20 meest gebruikte onregelmatige werkwoorden op kaartjes en herhaal ze elke dag.
In sommige talen is de verleden tijd één woord. Daarom wil je het deelwoord misschien direct naast het hulpwerkwoord zetten: Ik heb gekocht een fiets is fout, Ik heb een fiets gekocht is goed.
Een andere fout is het verkeerde hulpwerkwoord: Ik ben gewerkt is fout, Ik heb gewerkt is goed. En vergeet niet: het deelwoord van zijn is geweest, dat van hebben is gehad.
Gisteren ___ ik naar de markt gegaan.
Yesterday I went to the market.
Gisteren ___ ik naar de markt gegaan.