Naar de inhoud
Grammatica · Onderwerp 1A28 vragenongeveer 14 minutenGratis

Verleden tijd: het perfectum

De voltooide tijd

Voor afgeronde gebeurtenissen in het verleden gebruik je hebben of zijn + voltooid deelwoord. Je leert hoe je het deelwoord maakt en welk hulpwerkwoord je kiest.

Uitleg

Wat is het perfectum?

Om iets te vertellen dat in het verleden is gebeurd en klaar is, gebruik je in het Nederlands meestal het perfectum: Ik heb gisteren gewerkt. In gesprekken en korte berichten is dit de vorm die je het vaakst hoort voor de verleden tijd.

Het perfectum bestaat uit twee delen: het hulpwerkwoord hebben of zijn + het voltooid deelwoord (voltooid deelwoord). Het hulpwerkwoord past zich aan het onderwerp aan en staat op de tweede plaats; het deelwoord gaat helemaal naar het eind van de zin.

Het deelwoord van regelmatige werkwoorden

Bij regelmatige werkwoorden maak je het deelwoord zo: ge + stam + t/d. De stam vind je door -en van de infinitief af te halen: werken → werk → gewerkt.

Eindigt de stam op t, k, f, s, ch of p, dan komt er -t achter; in andere gevallen -d. Deze letters onthoud je met het woord 't kofschip. Let op: werkwoorden die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-, her-, er- krijgen geen extra ge-: betalen → betaald, vertellen → verteld.

  • Ik heb in een restaurant gewerkt.I have worked in a restaurant.
  • Wij hebben twee jaar in Utrecht gewoond.We lived in Utrecht for two years.
  • Heb je de rekening al betaald?Have you already paid the bill?
Veelgebruikte onregelmatige werkwoorden

Veel werkwoorden die je elke dag gebruikt, zijn onregelmatig; hun deelwoord moet je uit je hoofd leren. De meeste eindigen op -en. Let ook op de kolom met het hulpwerkwoord.

InfinitiefDeelwoordHulpwerkwoordVoorbeeld
etengegetenhebbenik heb gegeten
drinkengedronkenhebbenik heb gedronken
ziengezienhebbenik heb gezien
doengedaanhebbenik heb gedaan
kopengekochthebbenik heb gekocht
schrijvengeschrevenhebbenik heb geschreven
gaangegaanzijnik ben gegaan
komengekomenzijnik ben gekomen
blijvengeblevenzijnik ben gebleven
zijngeweestzijnik ben geweest

hebben of zijn?

De meeste werkwoorden gebruik je met hebben. zijn gebruik je in deze gevallen: bij een verplaatsing in een richting (gaan, komen, vertrekken, verhuizen), bij een verandering van toestand (worden, trouwen, sterven) en bij de werkwoorden zijn en blijven.

Bij werkwoorden van beweging is het verschil klein: zonder doel gebruik je hebben, met een doel zijn: Ik heb gefietst. / Ik ben naar huis gefietst.

  • Ik ben gisteren naar de markt gegaan.Yesterday I went to the market.
  • Hij is in 2022 naar Nederland gekomen.He came to the Netherlands in 2022.
  • Wij hebben vanmorgen gewandeld.We went for a walk this morning.

Voorbeelden uit het dagelijks leven

Let op: in deze zinnen staat het hulpwerkwoord op de tweede plaats en het deelwoord helemaal achteraan.

  • Wat heb je in het weekend gedaan?What did you do at the weekend?
  • Ik heb mijn moeder in Turkije gebeld.I called my mother in Turkey.
  • We zijn naar het strand gegaan.We went to the beach.
  • Heb je die film al gezien?Have you seen that film yet?
  • Ze is vorig jaar moeder geworden.She became a mother last year.
-t of -d?

De -t en de -d aan het eind van het deelwoord klinken hetzelfde, dus je kunt het niet horen. Denk aan de infinitief: werken → stam werk, de laatste letter k zit in 't kofschip → gewerkt.

Bij werkwoorden zoals leven en reizen is de stam leef en reis, maar je kiest op basis van de v en de z in de infinitief: geleefd, gereisd. Schrijf voor het examen de 20 meest gebruikte onregelmatige werkwoorden op kaartjes en herhaal ze elke dag.

Veelgemaakte fouten

In sommige talen is de verleden tijd één woord. Daarom wil je het deelwoord misschien direct naast het hulpwerkwoord zetten: Ik heb gekocht een fiets is fout, Ik heb een fiets gekocht is goed.

Een andere fout is het verkeerde hulpwerkwoord: Ik ben gewerkt is fout, Ik heb gewerkt is goed. En vergeet niet: het deelwoord van zijn is geweest, dat van hebben is gehad.

Woorden die je moet kennen

  • werken – heeft gewerktto work
  • betalen – heeft betaaldto pay
  • eten – heeft gegetento eat
  • gaan – is gegaanto go
  • verhuizen – is verhuisdto move (house)
  • blijven – is geblevento stay
  • gisterenyesterday
  • vorig jaarlast year

Voorbeeldvragen

1 / 8
Afbeelding bij de vraag
Vraag 1

Gisteren ___ ik naar de markt gegaan.

Yesterday I went to the market.

gaan is een beweging in een richting en gebruik je in het perfectum met zijn: Ik ben gegaan.

Test jezelf

1 / 8
0 van 8 beantwoord · 0 goedJe antwoorden worden op dit apparaat bewaard.
Afbeelding bij de vraag
Vraag 1

Gisteren ___ ik naar de markt gegaan.

Kies een antwoord

Mijn antwoorden