Ik ga naar de huisarts, want ___ .
I'm going to the GP, because I'm ill.
Met want, omdat en dus geef je een reden of een gevolg. De betekenis lijkt op elkaar, maar de woordvolgorde is anders; je leert het verschil met voorbeelden.
Een reden of een gevolg geven heb je in elk deel van het examen nodig. Als je antwoord geeft op een vraag als 'Waarom leer je Nederlands?', gebruik je altijd een voegwoord.
Met want en omdat geef je een reden, met dus een gevolg. De betekenis lijkt op elkaar, maar de woordvolgorde is anders; daar gaat het in dit onderwerp om.
want verbindt twee hoofdzinnen. De zin erna heeft de normale woordvolgorde: eerst het onderwerp, dan het werkwoord. Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
Je begint een zin niet met want; het staat altijd tussen twee zinnen. De voegwoorden en, maar en of werken op dezelfde manier: ze veranderen de woordvolgorde niet.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Ik ga naar de huisarts, want ___ .
I'm going to the GP, because I'm ill.
Ik ga naar de huisarts, want ___ .