Grammatica en woordenschat, geordend op niveau: A1, A2 en B1.
In het Nederlands staat voor elk zelfstandig naamwoord de of het. Je leert de regels die je helpen raden welk lidwoord een woord krijgt, en de meest gemaakte fouten.
In een Nederlandse hoofdzin staat de persoonsvorm altijd op de tweede plaats. Je leert deze regel, inversie en vragen, zodat je niet meer de woordvolgorde van je eigen taal gebruikt.
Leer in het Nederlands vertellen hoe je heet, waar je vandaan komt, over je familie en je werk. Deze zinnen heb je zeker nodig in de eerste minuten van het spreekexamen.