Iemand vraagt: 'Hoe heet u?' Wat antwoordt u?
Someone asks: 'What is your name?' What do you answer?
Leer in het Nederlands vertellen hoe je heet, waar je vandaan komt, over je familie en je werk. Deze zinnen heb je zeker nodig in de eerste minuten van het spreekexamen.
Als je in Nederland nieuwe mensen ontmoet, geef je meestal een hand en zeg je je naam. In het spreekdeel van het A1-examen vragen ze je waarschijnlijk ook om jezelf voor te stellen: je naam, waar je vandaan komt, waar je woont, je familie en je werk.
In dit onderwerp leer je de belangrijkste zinnen. Onthoud: korte, goede zinnen zijn altijd beter dan lange zinnen met fouten.
Je naam zeg je met Ik heet…, Ik ben… of Mijn naam is…. Waar je vandaan komt, vertel je zo: Ik kom uit Turkije.
Voor je leeftijd gebruik je het werkwoord zijn: Ik ben 32 jaar. (Je kunt er ook oud achter zetten.) Waar je woont, zeg je met Ik woon in…, en welke talen je spreekt met Ik spreek Turks en een beetje Nederlands.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Iemand vraagt: 'Hoe heet u?' Wat antwoordt u?
Someone asks: 'What is your name?' What do you answer?
Iemand vraagt: 'Hoe heet u?' Wat antwoordt u?