Welke zin is correct?
Which sentence is correct?
Bij werkwoorden zoals opbellen, opstaan en meenemen gaat het voorvoegsel los en naar het einde van de zin. Je leert stap voor stap waar het voorvoegsel heen gaat en wanneer.
Sommige Nederlandse werkwoorden beginnen met een voorvoegsel dat los kan: opbellen, opstaan, meenemen. Deze voorvoegsels (op, aan, af, mee, uit, in, terug, weg…) zijn vaak ook zelf een woord.
In een hoofdzin gaat het werkwoord naar de tweede plaats en schuift het voorvoegsel naar het eind van de zin: Ik bel je morgen op. In het dagelijks leven kom je deze werkwoorden heel vaak tegen.
Hoofdzin (tegenwoordige en verleden tijd): het werkwoord op de tweede plaats, het voorvoegsel helemaal achteraan: Ik sta om zeven uur op.
Met een modaal werkwoord (willen, moeten, kunnen): de infinitief blijft aan elkaar en gaat naar het eind: Ik moet vroeg opstaan.
Perfectum: ge- komt tussen het voorvoegsel en de stam: opgestaan, opgebeld, meegenomen.
Bijzin: het werkwoord staat weer aan elkaar en achteraan: …omdat ik vroeg opsta.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Dit deel is voor leden.
Welke zin is correct?
Which sentence is correct?
Welke zin is correct?