De 5 meest gemaakte fouten bij het examen Spreken
Bij Spreken verlies je punten meestal niet door te weinig kennis, maar door een paar gewoontes. We zetten de vijf fouten die we het vaakst zien op een rij, met eenvoudige oplossingen.
Bij het examen Spreken wordt van je verwacht dat je korte vragen kort maar volledig beantwoordt. Onze docenten hebben duizenden opnames beluisterd; dit zijn de fouten die ze het vaakst tegenkomen.
1. Met één woord antwoorden
"Ja." of "Koffie." kan kloppen, maar het is geen volledige zin. Verwerk de vraag in je antwoord:
Wat drinkt u graag? — Ik drink graag koffie.2. Het werkwoord op de verkeerde plek zetten
In een Nederlandse hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede plaats. Begin je de zin met een tijdsbepaling, dan komt het onderwerp na het werkwoord: Morgen ga ik naar de markt.
3. Antwoorden zonder goed naar de vraag te luisteren
Let op het vraagwoord: wanneer vraagt naar tijd, waar naar een plaats, waarom naar een reden. Wordt er naar een reden gevraagd, geef dan altijd een reden met omdat.
4. Te lange en ingewikkelde zinnen maken
Hoe langer de zin, hoe groter de kans op fouten. Eén hoofdzin en een reden zijn genoeg. Een kort, correct en duidelijk antwoord levert meer punten op dan een lang antwoord met fouten.
5. Stil blijven
Kun je even niet op een woord komen? Blijf dan niet wachten. Gebruik een eenvoudig synoniem of zeg de zin op een andere manier. Terwijl de opnametijd loopt, levert stilte geen punten op.