Naar de inhoud
het-woordzelfstandig naamwoordA1 · veelgebruikt

Wat betekent “huis”?

het huis

Meervoud: de huizen
Engelshouse, home

Dit woord krijgt “het”.

Voorbeeldzinnen

  • Wij hebben een klein huis met een tuin.We have a small house with a garden.
  • Ik ga nu naar huis.I'm going home now.

Uitdrukkingen

  • naar huis gaanto go home
  • thuis zijnto be at home
Oefen dit woord met een gameEen korte woordquiz met de 15 woorden over Wonen.
Start een game